Vorig jaar schreef ik voor de pasen een overdenking, waarin ik aantoonde dat Christendom en Socialisme elkaar niet uitsluiten. In tegendeel: in essentie zijn ze haast gelijk. In het evangelie van Mattheus (25:41-46) vertelt Jezus waar een mens op wordt afgerekend aan het einde der tijden: “Ik verzeker jullie: alles wat jullie gedaan hebben voor de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan.” De belangrijkste wijze om God te dienen, is door belangenloze medemenselijkheid. En dat is ook de essentiele pilaar waarop het Socialisme rust.
In de eerdergenoemde bijbelpassage is echter nog iets opmerkelijks te vinden. Op de dag des oordeels zullen de rechtvaardigen vragen wat zij nu precies goed hebben gedaan. Zij weten het niet. Dit gegeven suggereert dat zij niet hebben geweten wat hun Goddelijke taak was, maar dat zij handelden zonder te beseffen dat zij God dienden. Dit zou erop kunnen duiden dat er ongelovigen onder de rechtvaardigen waren. En het zou erop kunnen wijzen dat al het andere, inclusief het geloof zelf, ondergeschikt wordt geacht aan de solidariteit.
In de eerste brief van Paulus aan de Korinthiers (13:13) lezen wij iets soortgelijks: “Ons resten geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de grootste daarvan is de liefde.” Ook hier wordt niet het geloof, maar de liefde bovenaan geplaatst. Liefde (vertaald naar de breedste zin van het woord) is de essentie van het menselijke wezen en daarmee het hoogste goed.
Jezus kwam, zo vertelt de bijbelse overlevering, gedurende zijn leven regelmatig in situaties waar de keuze tussen liefde en geloof moest worden gemaakt. Denk aan de genezingen die hij op de Sabbath (heilige rustdag) verrichtte.
In Mattheus 21:28-31 zegt hij zelf dat hoeren en tollenaars (het ‘uitschot’ in die tijd) eerder het Koninkrijk van God binnen zullen gaan dan hogepriesters. Een behoorlijk statement. Hij maakte dat statement bij een gelijkenis:
Een vader vroeg zijn twee zonen om voor hem te werken. De ene zei dat hij dit wel zou doen, en deed dit niet. De ander gaf aan dat hij dit niet wilde, maar deed dit alsnog. Deze gelijkenis is cruciaal voor diegenen die willen weten hoe je God moet dienen.
Deze overdenking is er niet voor bedoeld om mensen op basis van Bijbelse argumenten van het geloof af te brengen. Het geloof, Christelijk, Moslim, Joods of anderszins kan als waardevolle inspiratiebron dienen voor een mens om goed te doen. Aldanniet (mede) onder de vlag van het Socialisme. Wie houvast heeft aan zijn geloof zou een dwaas zijn dit te laten varen.
Het gaat mij meer om het beleiden met de mond, zonder hier gevolg aan te geven in daden. Je kunt jezelf gelovig noemen. Maar dat moet dan zeker doorklinken in je daden; je solidariteit met je medemens. Als dit niet het geval is, zo lees ik in de bijbel, dan zal iemand die wellicht niet gelovig is, maar wel naastenliefde toont, voorrang krijgen in het Koninkrijk van God. Schijnheiligheid wordt niet beloond.
Om een goed mens te zijn, is het niet nodig om Christen (of Moslim, of Jood, of…) te zijn. Een Christen kan echter niet anders dan een goed mens zijn: de bijbel vraagt dit van hem (of haar). Meer nog dan het geloof zelf wordt er medemenselijkheid, naastenliefde, solidariteit gevraagd. Kernwaarden van het geloof. En van het Socialisme
Ik wens u, namens SP afdeling Veenendaal, een goed Pasen toe.
